Straatfotografie in een historisch perspectief.

Dat straatfotografie pas vanaf de 20e eeuw als apart genre kan worden onderscheiden heeft veel te maken met technische ontwikkeling. De daguerreotypes (procedure van Louis Daguerre waarbij een gepolijste, met een zoutoplossing voorbereide, zilveren plaat wordt gebruikt) uit de 19e eeuw vereisten minutenlange belichtingstijden, wat tot gevolg had dat mensen en ander verkeer op foto’s van straten onzichtbaar waren. Bovendien waren de camera’s groot en zwaar, zodat de meeste foto’s in studio’s van professionele fotografen werden gemaakt. De avontuurlijke fotograaf die zich wel buiten waagde, moest naast een grote camera met statief en glazen platen ook nog eens een mobiele donkere kamer meezeulen met draagbare ontwikkelkast en tent. De fotografische praktijk van de natte collodiumnegatieven uit de jaren 1850 en 1860 maakte ook dat hij slechts tien minuten had voor de voorbereiding, belichting en ontwikkeling van de negatieven, wat spontane straatfotografie moeilijk, zo niet onmogelijk maakte.

Droge plaat
De introductie van de droge plaat negatieven in de jaren 1870 en van zilvergelatinedruk in de jaren 1880 betekende een doorbraak voor de straatfotografie. Hiermee kon sneller ontwikkeld worden dan met eender welke vorige techniek. Toen George Eastman in 1888 de eerste Kodak, een “boxcamera”, op de markt bracht, kwam fotografie binnen het bereik van het grote publiek. Het filmrolletje werd geleverd door de verkoper, die ook voor de ontwikkeling en de afdruk van de foto’s zorgde. Het bleef echter een dure hobby, en pas tussen de twee wereldoorlogen, toen ook Europese constructeurs de boxcamera gingen produceren, daalden de prijzen zodanig dat ook arbeidersgezinnen zich er een konden veroorloven. Dit type camera bleef populair tot in de jaren zestig van de 20e eeuw, en werd toen verdrongen door een nieuwe generatie eenvoudige en goedkope camera’s.

35mm-camera
Een andere significante technische ontwikkeling was de lancering en verspreiding van de 35mm-camera in het midden van de jaren 1920 (het 35mm-formaat is in 1912 ontwikkeld door Oscar Barnack voor de Leitz-camerafabrieken als compact alternatief voor de toen gangbare 6cm-rolfilm. Hij gebruikte de 35mm-film die toen al door de filmindustrie voor bioscoopfilms gebruikt werd, maar legde het beeld in lengterichting, zodat er twee keer zoveel beeldoppervlak beschikbaar kwam. De eerste kleinbeeldcamera, de Leica, kwam pas in 1924 op de markt).

De compactheid van de kleinbeeldcamera was ideaal voor spontane momentopnamen op straat en andere publieke locaties, en de nieuwe films waren gevoelig genoeg om in situaties met weinig licht te kunnen fotograferen. In tegenstelling tot vroegere camera’s kon de fotograaf nu door een zoeker kijken in plaats van het beeld van bovenaf te bekijken. Dankzij deze technologische innovaties maakte straatfotografie vooral in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een bloeiperiode door.

Documentatie van het leven
Talrijke fotografen die het straatleven in beeld brachten, zoals Alfred Stieglitz, Berenice Abbott en William Eggleston, beschouwden hun werk niet als “straatfotografie” in de zin die er nu aan wordt gegeven, maar als documentatie van het leven in de stad en van haar infrastructuur, en dat geldt zeker voor de pioniers van de fotografie.

Zo waren Charles Marvilles (1813-1879) foto’s van Franse architectuur in de jaren 1850 en 1860 in de eerste plaats bedoeld ter registratie van cultureel belangrijke Parijse gebouwen en van voor de sloop bestemde straten en andere infrastructuur.

De Franse kunstschilder Charles Nègre (1820-1880) was ook een pionier in de straatfotografie. Zijn toepassing van de techniek van de calotypie, waarmee van negatieve afdrukken op papier een onbeperkt aantal positieve afdrukken kon worden gemaakt, was een verbetering tegenover de lange belichtingstijden en moeizame manipulatie van negatieven bij de daguerreotypie, wat het werk buiten de studio vergemakkelijkte.
Iemand die ook vaak als een van de vaders van de straatfotografie wordt genoemd, is Eugène Atget (1857-1927), wiens foto’s van het laat-19e- en begin-20e-eeuwse Parijs oorspronkelijk eveneens bedoeld waren als documentatie.

De Schotse fotograaf John Thomson (1837-1921), die het leven in de Londense straten vastlegde in de jaren 1800, wordt nu beschouwd als een van de eerste straatfotografen. Hij was ook de eerste die een boek over straatfotografie uitbracht: zijn foto’s van straatzwervers verschenen in 1877 in Street Life in London. Thomsons stijl oefende veel invloed uit op de journalistieke fotografie.

Voor de Tweede Wereldoorlog was Henri Cartier-Bresson al een bekend persfotograaf, die met zijn werk een brug bouwde tussen de kunstfotografie en de documentaire fotografie. In die periode waren in de VS een aantal fotografen aan het werk, onder wie Walker Evans, Dorothea Lange en Berenice Abbott, die als pers- en documentaire fotograaf naam maakten.

Sub genre
In de tijd dat straatfotografie zich als sub genre van documentaire fotografie zou ontwikkelen, steeg door het groeiend aantal nieuwe tijdschriften ook de vraag naar foto’s om artikelen over hedendaagse problemen te illustreren. Fotografen trokken met hun lichte en moderne camera-uitrusting naar steden of landelijke gebieden om plaatsen en toestanden van de Amerikaanse samenleving te documenteren.

Sceptisch commentaar op de samenleving
Midden 20e eeuw leverde Robert Frank (geboren in 1924) in zijn fotoboek The Americans sceptisch commentaar op de Amerikaanse samenleving. Hoewel het niet uitsluitend straatfoto’s bevatte, bracht zijn boek de straatfotografie als creatief streven volop in de belangstelling en talloze fotografen zouden zijn voorbeeld volgen. Franks benadering van de documentaire fotografie was gedurfd en vernieuwend. Zijn beelden komen emotioneler en subjectiever over, en vaak nam hij foto’s zonder zelfs maar door de zoeker te kijken. Door het toeval te laten meespelen en de technische onvolkomenheden erbij te nemen, gaven zijn foto’s een minder gepolijste indruk dan die van andere fotoreporters.

Andere toonaangevende fotografen uit de Verenigde Staten die zoals Frank hun beste werk leverden in de periode tussen 1940 en 1960, waren Lisette Model, Helen Levitt, Louis Faurer en William Klein. Hun foto’s gaven een bijzonder subjectieve kijk op stedelijke publieke ruimtes en benadrukten net als die van Frank de expressieve mogelijkheden van de fotografie. Zo was Helen Levitt een pionier in kleurenstraatfotografie en rebelleerde William Klein met zijn ongewone fotografische technieken tegen de gevestigde ‘Cartier-Bresson-stijl’: hij maakte extreme close-ups met een 21mm-lens, en experimenteerde met onscherpte en vervorming.

Straatfotografie bloeide tijdens de naoorlogse periode ook buiten de Verenigde Staten. In Frankrijk maakten met name Robert Doisneau en Willy Ronis enkele van de bekendste foto’s van het tijdperk. In Engeland fotografeerde Roger Mayne het dagelijkse leven in arbeiderswijken na de oorlog, en ook in Japan wendden fotografen als Daido Moriyama zich in deze jaren tot de straatfotografie.

Een andere moderne straatfotograaf (al noemde hij zichzelf niet zo) was de in Hongarije geboren André Kertész (1894-1985) die in Parijs woonde. Hij was een van de vele straatfotografen die om den brode werkten als foto- of modejournalist en zich na hun werk aan hun kunst wijdden. Een landgenoot van hem, Gyula Halász (Brassaï), maakte voor zijn nachtopnamen van Parijs gebruik van een grote Voigtländercamera in plaats van voor een Leica te kiezen. Zijn serie over het Parijse nachtleven, Paris After Dark (1933), was een groot succes. Vooral Kertész oefende een grote invloed uit op Cartier-Bresson, wiens werk na de Tweede Wereldoorlog vormgaf aan wat nu onder straatfotografie wordt verstaan.

“Er is een creatieve fractie van een seconde wanneer je een foto neemt. Je oog moet een compositie of expressie zien die het leven zelf je aanbiedt, en je moet intuïtief weten wanneer je moet afdrukken. Dat is het ogenblik waarop de fotograaf creatief is. Oeps! Het ogenblik! Als je het mist, is het voor altijd verdwenen.”

De vader van de moderne straatfotografie
De Fransman Henri Cartier-Bresson (1908-2004) wordt beschouwd als de vader van de moderne straatfotografie. Hij staat bekend om zijn trouw aan de Leica camera, zijn weigering om de kadrering van zijn foto’s achteraf aan te passen (cropping, een uitsnede maken van een foto), en zijn pleidooi voor spontaniteit en intuïtie als de drijvende krachten van de creatieve fotografie. Zijn concept van het beslissende moment (Le moment décisif) hanteerde hij onder meer in zijn boek Images à la sauvette uit 1952. Dit intuïtief juiste moment waarop de fotograaf afdrukt is het moment waarop het onderwerp en de compositorische vorm een volmaakt geheel zijn.

In de jaren zestig en zeventig bleef de Leica de favoriete camera voor straatfotografie. Bekende Amerikaanse fotografen in dit genre waren Joel Meyerowitz, Garry Winogrand, Lee Friedlander en Diane Arbus, die er na Cartier-Bresson en Frank in slaagden een eigen distincte stijl met meer realisme te ontwikkelen.

Tentoonstelling “New Documents”
De in 1967 door curator en fotograaf John Szarkowski georganiseerde tentoonstelling “New Documents” in het New Yorkse Museum of Modern Art was een mijlpaal in de geschiedenis van de straatfotografie. De snapshotlook van Winogrand, Friedlander en Arbus die Szarkowski presenteerde, zou veel fotografen inspireren om in hun voetsporen te treden.

De New Yorker Friedlander doorkruiste de stad om de condition humaine op foto’s vast te leggen, waarbij hij gebruikmaakte van typische elementen van de straatfotografie. Het zijn informele foto’s, genomen op een speciaal moment, rijk aan informatieve, expressieve elementen; reflecties van mensen in spiegels en ramen, eenzame, in gedachten verzonken mensen.

Diane Arbus, die zelf opgroeide in een rijke New Yorkse buurt, richtte haar camera bij voorkeur op “marginale” mensen: hippies, travestieten, topless dansers, straatmensen.

De meest productieve straatfotograaf was ongetwijfeld de in The Bronx geboren Winogrand, nu algemeen beschouwd als een van de grootste fotografen van de twintigste eeuw. Na zijn vroegtijdige dood op 56-jarige leeftijd liet hij meer dan 6000 filmrolletjes achter die nog niet ontwikkeld waren, en men is nu nog steeds bezig zijn gehele werk in kaart te brengen.

Late 20e en vroege 21e eeuw
Tot de volgende generatie fotografen van de late 20e en vroege 21e eeuw die de straat als onderwerp kozen, behoren Raghubir Singh, Bruce Gilden, Martin Parr, Mary Ellen Mark, Jeff Mermelstein, Sylvia Plachy, Mitch Epstein, Alex Webb, Melanie Einzig en Philip-Lorca diCorcia. Wat hen onderscheidt is een heel individuele benadering van de straatfotografie die de platgetreden paden van de genretraditie durft te verlaten. Zo is Bruce Gilden een eigentijdse straatfotograaf met een openlijk confronterende stijl. Hij is zowat het tegengestelde van de onzichtbare straatfotograaf, en neemt met een flits extreme close-ups van mensen. Een bekend gezegde van hem is “I have no ethics”.

Bekende straatfotografen zijn nog steeds typisch te vinden in grootsteden als New York en Parijs (beide beschouwd als de bakermat van de straatfotografie) waar ze tegenwoordig ook vaak voor tijdschriften werken. Streethunters.net maakte een top tien van de meest invloedrijke actieve straatfotografen.

RotterdamStreets is een initiatief van de Rotterdamse Fotografieschool.